De oorsprong van de ‘tapa’ is niet zeker, maar vast staat dat het woord ‘tapa’ (meervoud ‘tapas’) komt van het Spaanse werkwoord ‘tapar’, wat afdekken of bedekken betekent. ‘Tapa’ is dan ook letterlijk te vertalen als ‘deksel’. Op basis van deze betekenis wordt vaak verondersteld dat tapas zijn ontstaan uit de gewoonte om een drankje letterlijk met een stuk brood en/of een plakje ham af te dekken, om te voorkomen dat er ongedierte in zou  komen.

De oorsprong gaat terug tot de jaren 1500 en keizer Karel V. Onder zijn bewind vertrok van het zuiden van Spanje om het uur een paard en ruiter naar de Zuidelijke Nederlanden waar Margaretha van Parma zijn vertegenwoordigster was. Onderweg stopten de ruiters vaak in een herberg om iets te drinken. Al snel werd vastgesteld dat heel wat ruiters ronduit dronken op hun paard zaten, dus heeft Keizer Karel bevolen dat alle herbergen in Spanje bij de drank ook voedsel moesten aanbieden, om te voorkomendat de ruiters alleen wijn of alcohol dronken en geen voedsel tot zich namen. Vandaar het gebruik om (voornamelijk in Spanje) kleine hapjes, tapas, bij de drank te serveren. Hoewel de tapa oorspronkelijk een tussendoortje was, worden ze in Spanje ook wel gegeten als maaltijd.

Vele soorten tapasspain

Er bestaan vele soorten tapas. Om er een paar te noemen:

  • Pinchos (kleine belegde broodjes)
  • Tortilla (aardappelomelet)
  • Gemarineerde ansjovis
  • Albondigas (gehaktballetjes in tomatensaus)
  • Chorizo al vino (in wijn gemarineerde chorizo)
  • Calamares (gefrituurde ringen van de pijlstaartinktvis)
  • Gevulde of gefrituurde champignons
  • Patatas bravas (gebakken aardappelen in pikante tomatensaus)
  • Gemarineerde olijven
  • Gezouten amandelen
  • Morcilla (bloedworst)
  • Pimientos de Padrón (kleine paprika/pepersoort)
  • Caracoles (slakken)
  • Cola de toro (stierenstaart)